uitwerken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wer·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitwerken
werkte uit
uitgewerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitwerken

  1. nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald
    De ambtenaren moeten de plannen van het kabinet uitwerken.
    Hij maakte altijd prachtige plannen maar uitwerken van de details liet hij altijd aan andren over.