uitwerken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·wer·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitwerken
werkte uit
uitgewerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitwerken

  1. nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald
    • De ambtenaren moeten de plannen van het kabinet uitwerken. 
    • Hij maakte altijd prachtige plannen maar uitwerken van de details liet hij altijd aan andren over. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.