werkte
Uiterlijk
- werk·te
| vervoeging van |
|---|
| werken |
werkte
- enkelvoud verleden tijd van werken
- Ik werkte.
- Jij werkte.
- Hij, zij, het werkte.
- Ik werkte.
- ▸ Blijkbaar werkte mijn actie wel, dus ik schopte nogmaals wat zand waardoor de ratelslang sierlijk de struiken ingleed.[1]
- ▸ In de Nederlandse culinaire wereld wordt geschokt gereageerd op het onverwachtse overlijden van topchef Jonnie Boer, op 60-jarige leeftijd. Veel jonge koks met wie hij werkte, hebben nu hun eigen bekende restaurants. Voor hen was hij een grote inspiratie.[2]
- Het woord werkte staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS