pot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pot potten
verkleinwoord potje potjes

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. m een cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk dat meestal dient om iets te bewaren (verpakking)
    Kun je mij de pot met jam aangeven?
  2. v een vrouw die op vrouwen valt
    De buurvrouw is een pot, maar daar merk je verder niets van.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • eten wat de pot schaft
eten wat er is
Anagrammen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to pot
he/she/it pots
verleden tijd potted
voltooid
deelwoord
potted
onvoltooid
deelwoord
potting
gebiedende wijs pot

Werkwoord

pot

  1. (overgankelijk) potten
  2. (overgankelijk) inmaken


Naar frequentie 2741 (naamwoord)


enkelvoud meervoud
pot pots

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pan, pot (in betekenis 1)
  2. bloempot
  3. (kookkunst) kookpan, kookpot
    «Bring a large pot of water to a boil.»
    Breng een grote pan water aan de kook.
  4. (gereedschap) po
  5. (gereedschap) toilet
  6. pot, prijs (een cumulatief bedrag)
  7. (spreektaal) pens, buik
  8. (spreektaal) marihuana, weed, wiet
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: to take pot luck
eten wat de pot schaft
  • [3]: to take potluck (VS)
eten wat de pot schaft
  • [8]: to smoke pot
blowen