pot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: poť


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pot
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Leenwoord uit het Volkslatijn pottus (= literair Latijn potus “beker, bokaal”), in de betekenis van ‘vaatwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1250 [1]
  • [B] Verkorte vorm van lollepot. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pot potten
verkleinwoord potje potjes

Zelfstandig naamwoord

[A] pot m

  1. (huishouden) cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk dat meestal dient om iets te bewaren (verpakking)
    • Kun je mij de pot met jam aangeven? 
     Het potje met mijn favoriete zwarte inkt plaatste ik binnen handbereik.[3]
  2. (kookkunst) kookpot
  3. (sanitair) toiletpot
  4. (financieel) spaarpot; bij uitbreiding financiële reserve in het algemeen
  5. (vooral Vlaams) (drinken) pint, glas bier
  6. (spel), (informeel) (meestal als verkleinwoord) ronde
    • Dat was een leuk potje. 

[B] pot v

  1. (seksualiteit), (informeel) vrouw die zich seksueel aangetrokken voelt tot vrouwen
    • De buurvrouw is een pot. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] "cilindervormig voorwerp"

  • De dood in de pot
Iets waar alle levendigheid uit verdwenen is
  • De pot verwijt de ketel [dat hij zwart ziet]
De een verwijt de ander iets wat voor beiden evenzeer geldt
  • Eén pot nat
Een hele hoop van hetzelfde
  • Een potje kunnen breken
Bij iemand in de gunst staan, je iets bij die persoon kunnen veroorloven
  • Er een potje van maken
Het verpesten
Spreekwoorden
  • Kleine potjes hebben grote oren
Ook kinderen vangen veel op van wat er in hun omgeving gezegd wordt

[2] "kookpot"

  • De hond in de pot vinden
Te laat komen voor het eten, waardoor de eigen portie al is opgegeten door anderen
  • Eten wat de pot schaft
Eten wat er is (bij gebrek aan andere mogelijke keuzes)
•  Zittend op een steen aten we wat de pot schafte. [4] 
•  Noem mij een ouderwets moedertje, maar mijn zoon eet wat de pot schaft. En waarom ook niet? Ik bereid geen stront. Zelfs toen hij net leerde eten, als dreumes, heb ik hem gewoon alles voorgeschoteld. Hij kon zijn lieve oogjes rood huilen, maar iets anders kreeg hij niet. Het zal wel harteloos van me zijn. Maar nu verorbert hij zonder moeite spruitjes, witlof met roquefort of een salade van bietjes met haring. [5] 
  • Haar pot is aangebrand
Ze is zwanger
  • Uit de grote pot mee-eten
Gezamenlijk een maaltijd nuttigen (bijv. in familieverband)
  • Uit de pot van Egypte (mee)eten
Ergens mogen mee-eten zonder daar iets voor terug te hoeven doen (bijv. in het ouderlijk huis)
  • Zijn eigen potje koken
Voor zijn eigen eten zorgen (bij uitbreiding: in het algemeen zelfredzaam zijn)

[3] "toiletpot"

  • Buiten/Naast de pot pissen
Een misstap begaan
  • Dat is van de pot gerukt
Dat is volkomen belachelijk, dat slaat nergens op
  • Iemand in de pot doffen
Iemand voor de gek houden
  • Iemand op de pot zetten
Iemand in het openbaar belachelijk maken
  • In dezelfde pot pissen/kakken/schijten
Het ergens over eens zijn
  • Je kunt (of: Hij/Zij kan, etc.) de pot op
Je kunt oprotten, je bekijkt het maar helemaal etc.
  • Om/Rond de pot [heen] draaien
De eigenlijke kwestie niet benoemen

[4] "spaarpot"

  • De pot verteren
Alle geld opmaken

[5] pint, glas bier

  • Tussen pot en pint
Tijdens het nuttigen van alcohol, in een informele sfeer
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
potten

pot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van potten
  2. gebiedende wijs van potten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord pot potte
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Nederlandse pot

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pot
Anagrammen


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to  pot 
he/she/it  pots 
verleden tijd  potted 
voltooid
deelwoord
 potted 
onvoltooid
deelwoord
 potting 
gebiedende wijs  pot 

Werkwoord

pot

  1. overgankelijk potten
  2. overgankelijk inmaken
Naar frequentie 2741 (naamwoord)
enkelvoud meervoud
pot pots

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pan, pot (in betekenis 1)
  2. bloempot
  3. (kookkunst) kookpan, kookpot
    «Bring a large pot of water to a boil.»
    Breng een grote pan water aan de kook.
  4. (gereedschap) po
  5. (gereedschap) toilet
  6. pot, prijs (een cumulatief bedrag)
  7. (spreektaal) pens, buik
  8. (spreektaal) marihuana, weed, wiet
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: to take pot luck
eten wat de pot schaft
  • [3]: to take potluck (VS)
eten wat de pot schaft
  • [8]: to smoke pot
blowen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Uit Oudfrans pot, ontleend aan Oudfrankisch *potta-, uit Volkslatijn pottus (= literair Latijn potus “beker, bokaal”) [1]
  • [B] Uit Engels pot “cannabis”.

Zelfstandig naamwoord

[A] pot m

  1. pot (voor verschillende doeleinden)
  2. (spreektaal) hapje & drankje, borrel (vergezeld van een lichte maaltijd of hapjes)
    «Si on allait prendre un pot
    Als we eens een borrel gingen drinken? [2]
  3. (spreektaal) mazzel
    «Yann a toujours du pot avec les gonzesses.»
    Yann heeft altijd mazzel bij de vrouwtjes. [2]
  4. (spreektaal) (vulgair) kont, achterwerk
  5. (spreektaal) (kindertaal) pispot, po, potje, plee [2]
    «La cérémonie familiale du pot, organisée par ma tante et ma mère en l’honneur du petit cousin, était toujours suivie d’un examen, d’où résultaient des propos de connaisseurs : propos parfois inquiets, mais le plus souvent flatteurs. Écœuré , je quittais discrètement la place sans reprendre haleine.»[3]
    De familiebijeenkomst van het "potje" die mijn tante en mijn moeder ter ere van het neefje hadden georganiseerd, werd altijd gevolgd door een onderzoekje, wat opmerkingen van kenners ontlokte: soms bezorgd, maar meestal toch wel vleiend. Met walging verliet ik discreet de plaats zonder dat opnieuw in te ademen.
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening

Zelfstandig naamwoord

[B] pot m

  1. (spreektaal) (Canada) cannabis
    «Une centaine de personnes attendent patiemment en file indienne à l’extérieur du magasin pour acheter ce cannabis que les Québécois appellent «pot». «J’achète ici, parce que c’est le fun», assure une jeune fille.»[4]
    Ongeveer honderd mensen wachten geduldig in een lange rij buiten de winkel om deze cannabis, die de bevolking van Quebec “pot” noemt. „Ik koop hier, omdat het leuk is.”, sprak een jong meisje vol vertrouwen.

Verwijzingen

  1. Guus Kroonen. 2013. Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden - Boston: Brill Publishers: p. 131, zie fata-. ISBN: 978-90-04-18340-7.
  2. 2,0 2,1 2,2 Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 165
  3. Marcel Pagnol op Wikipedia “Le temps des secrets” (1960), p. page 207
  4. Bronlink geraadpleegd op 26 oktober 2020 Weblink bron Ludovic Hirtzmann “Au Canada, le cannabis pour échapper à l’enfer du Covid” (19 oktober 2020 [herzien 20 oktober 2020] (achter betaalmuur)) op lefigaro.fr


Limburgs

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pot


Middelengels

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Angelsaksische pott

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pot
Schrijfwijzen
Verwante begrippen


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief pot potte
genitief pots potte
datief potte potten
accusatief pot potte

Zelfstandig naamwoord

pot m [1]

  1. pot

Verwijzingen

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pot


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • pot
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *potъ

Zelfstandig naamwoord

pot m

  1. zweet; transpiratie, transpiratievocht
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Slowaaks

Uitspraak
Woordafbreking
  • pot
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *potъ

Zelfstandig naamwoord

pot m

  1. zweet; transpiratie, transpiratievocht
Synoniemen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • pot
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *potъ

Zelfstandig naamwoord

pot monbezield

  1. zweet; transpiratie, transpiratievocht
Verbuiging
Synoniemen
Gelijkklinkende woorden
Anagrammen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Paroniemen

Meer informatie

Verwijzingen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

pot

  1. pot


Wymysoojs

Zelfstandig naamwoord

pot m

  1. peetoom

Zelfstandig naamwoord

pot v

  1. peettante