bot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot
1,2 enkelvoud meervoud
naamwoord bot botten
verkleinwoord botje botjes
3 enkelvoud meervoud
naamwoord bot bots
verkleinwoord - -
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘laars’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
  • In de betekenis van ‘stomp’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [2]
  • In de betekenis van ‘been’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [3]
  • In de betekenis van ‘knop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [4]
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [5]
4 enkelvoud meervoud
naamwoord bot botten
verkleinwoord botje botjes

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. (vissen) platvis.
  2. (Vlaanderen en Limburg) laars.
  3. (verkorting), (afkorting), (wikitaal) de afkorting voor robot, met name voor computerrobots.
  4. been, knook, een onderdeel van het skelet.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bot vangen
geen positief antwoord krijgen terwijl je daar wel op hoopte
  • tot op het bot
tot in het diepste van iemand
•  Hij was een merkwaardige mix, want met zijn aristocratische voorkomen leek hij verschrikkelijk beschaafd en tegelijk meedogenloos tot op het bot. [6] 
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bot botter botst
verbogen botte bottere botste
partitief bots botters -

Bijvoeglijk naamwoord

  1. niet scherp, stomp, wat snijdens scherp had moeten zijn. een botte bijl
    • Met een bot mes kun je geen mooie plakjes vlees afsnijden. 
  2. onbeleefd & direct, zich bot gedragen
    • Veel mensen vinden Nederlanders bot. 
  3. van iets dat je er niets aan kunt doen
    • En dat levend begraven worden met nog een paar dagen te gaan voor het einde van de oorlog botte pech zou zijn. [7] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
botten

bot

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van botten
  2. gebiedende wijs van botten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief bot bode
genitief boods, boets bode
datief bode boden
accusatief bot bode

Zelfstandig naamwoord

bot o

  1. bod
  2. bekendmaking, mededeling
  3. gebod, bevel
    • Men mach die bode Gods niet laten. 
  4. dienst, in te enes bode ter beschikking van iemand
    • Dat altemael haer eyghen van gheworden ende stont tot haren bode. [1] 
  5. (juridisch) dagvaarding, oproep
    • .. so sell dat bot staende bliven totter naesten rechtdage toe, 
  6. een partij van een of ander spel
    «... ende niet meer dan te grote boods ende niet hogher.»
    ... en niet meer dan een bod van een groot (een munt) en niet hoger.


Verwijzingen

  1. Middelnederlandsch woordenboek van Eelco Verwijs, Jacob Verdam Deel 1, 1885 M. Nijhoff


Angelsaksisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bōt v

  1. remedie


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. sprong
  2. stuit (stuitering)

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. boot

Zelfstandig naamwoord

bot m

  1. waterzak of wijnzak
  2. doedelzak
Uitdrukkingen en gezegden
  • ploure a bots i barrals
pijpenstelen regenen


Indonesisch

Woordafbreking
  • bot
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bot

  1. (kleding) laars


Koerdisch

Zelfstandig naamwoord

bot

  1. laars


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • bot

Zelfstandig naamwoord

bot

  1. genitief meervoud van bota