Naar inhoud springen

kan

Uit WikiWoordenboek
  • kan
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord kan kannen
verkleinwoord kannetje kannetjes

[A]dekanv/m

  1. (huishouden) serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
    • De kan heeft een deksel en is beschilderd in groen en bruin. 
    • Een kan met melk. 
  • alles is in kannen en kruiken
    alles is geregeld
  • het onderste uit de kan (willen hebben)[7]
    alles (willen hebben)
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord kan kans
verkleinwoord - -

[B]dekanm

  1. (adel) Mongoolse of Turkse krijgsheer of vorst
    • Hij was ontroerd door het verhaal van de laatste Tataarse kan. [8]
vervoeging van
kunnen

[C] kan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kunnen
    • Ik kan. 
  1. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kunnen
    • Kan je? 
     In een urinoir kan het ook soms moeilijk zijn om met iemand naast je te plassen. Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was.[9]
     Een andere reden dat antihyperhelium-4 interessant is, zo zegt Stöcker, is dat de omstandigheden in de deeltjesversneller bij het ontstaan ervan de toestand nabootsen waarin het heelal verkeerde toen het slechts een miljoenste van een seconde oud was. Het heelal bestond op dat moment uit een ‘hete soep’ van deeltjes. Het identificeren van de materie- en antimateriedeeltjes die hieruit voortkomen, kan helpen begrijpen hoe we in een heelal terecht zijn gekomen waarin de hoeveelheid materie, inclusief de materie waaruit wijzelf bestaan, de schaarse hoeveelheid antimateriedeeltjes overschaduwt.[10]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[11]

kan

  1. taal
  • kan
Naar frequentie 24

kan

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van kunne
  • kan
Naar frequentie 24

kan

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van kunne
  • kan

kan

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van kunne

kan

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van kunne

kan

  1. water
  • kan

kan

  1. (verouderd) met, samen
  • kan
enkelvoud meervoud
nominatief   kan     kanlar  
genitief   kanın     kanların  
datief   kana     kanlara  
accusatief   kanı     kanları  
locatief   kanda     kanlarda  
ablatief   kandan     kanlardan  

kan

  1. bloed (lichaamsvocht)
  2. (figuurlijk) bloed, bloedverwantschap, familie, geslacht

kan

  1. keunn
    «De klêenste sôorte wordt moa 1 cm grôot en de grotste zêesterre kan 1 m wordn met een oarmlengte van 45 cm.»
    De kleinste soort wordt maar 1 cm groot en de grootste zeester kan 1 m worden met een armlengte van 45 cm.
    «Wien't ni kanne keunn't leern.»
    Men is nooit te oud om te leren.

kan

  1. (reptielen) serpent, slang