mazzel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maz·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mazzel mazzels
verkleinwoord mazzeltje mazzeltjes

Zelfstandig naamwoord

mazzel m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) geluk, goed geluk
    Ik had vanmorgen een mazzeltje want ik was net langzamer gaan rijden toen ik zag dat ze stonden te controleren.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
mazzelen

mazzel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mazzelen
    Ik mazzel.
  2. gebiedende wijs van mazzelen
    Mazzel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mazzelen
    Mazzel je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands

Meer informatie