mazzel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maz·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mazzel mazzels
verkleinwoord mazzeltje mazzeltjes

Zelfstandig naamwoord

mazzel m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) geluk, goed geluk
    Ik had vanmorgen een mazzeltje want ik was net langzamer gaan rijden toen ik zag dat ze stonden te controleren.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
mazzelen

mazzel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mazzelen
    Ik mazzel.
  2. gebiedende wijs van mazzelen
    Mazzel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mazzelen
    Mazzel je?