schrijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schrijn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kistje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schrijn schrijnen
verkleinwoord schrijntje schrijntjes

Zelfstandig naamwoord

schrijn m/o

  1. fraai bewerkt kistje voor kostbaarheden
    • Relikwieën worden veelal in schrijnen bewaard. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schrijnen

schrijn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrijnen
    • Ik schrijn. 
  2. gebiedende wijs van schrijnen
    • Schrijn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrijnen
    • Schrijn je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen