foedraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • foe·draal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koker’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord foedraal foedralen
verkleinwoord foedraaltje foedraaltjes

Zelfstandig naamwoord

foedraal o [3]

  1. passend gemaakte doos
  2. overtrek, hoes
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen