huishouden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·hou·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huishouden
hield huis
huisgehouden
klasse 7 volledig

Werkwoord

huishouden

  1. (pejoratief) een grote rommel of vernietiging achterlaten
    • De bandieten hielden flink huis in het dorpje dat ze plotseling overvallen hadden. 
  2. de huishouding doen


enkelvoud meervoud
naamwoord huishouden huishoudens
verkleinwoord huishoudentje huishoudentjes

Zelfstandig naamwoord

huishouden o

  1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
    • Veel huishoudens kregen het in deze crisis zwaar te verduren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl