meer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Meer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • meer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meer meren
verkleinwoord meertje meertjes

Zelfstandig naamwoord

meer o

  1. (aardrijkskunde) een groot water dat helemaal omringd is door land
     Ze besloten zich vanaf een plateau in een meertje te storten.[4]
     Op de kaart stond namelijk dat er over 15 kilometer een meertje (Lake Morena) zou zijn, maar ik liep erg langzaam en het werd al laat.[5]
  2. (verouderd) (aardrijkskunde) zee
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Onbepaald hoofdtelwoord

meer

  1. vergrotende trap van veel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • meer pijlen op zijn boog hebben
    meer kunnen dan reeds laten zien
  • en dies meer
    enzovoorts
Spreekwoorden
  • als er een schaap over de dam is, volgen er meer.
    als er de eerste stap is gezet is het voor een ander niet moeilijk meer om die ook te maken en volgt de rest vanzelf
  • één gek kan meer vragen/vragen stellen dan tien wijzen kunnen beantwoorden
    er zijn altijd wel vragen waar niemand het antwoord op weet
  • een vliegende vogel heeft altijd meer dan een zittende
    iemand die veel buitenkomt krijgt altijd meer dan iemand die thuis blijft zitten
  • er verdrinken er meer in het glas dan in de zee
    er gaan veel mensen dood door het drinken van alcohol
  • er zijn meer hondjes die fikkie heten
    er zijn meer personen met dezelfde naam
  • hoe meer zielen, hoe meer vreugd
    hoe meer mensen er bij zijn, hoe leuker dat het is.
  • men kan van een luis niet meer nemen dan zijn leven
    wanneer iemand niets heeft, valt er niets te halen.
  • men vangt meer vliegen met honing dan met azijn
    door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
meren

meer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meren
    • Ik meer. 
  2. gebiedende wijs van meren
    • Meer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meren
    • Meer je? 

Bijwoord

  1. (van hoeveelheid) in sterkere mate
    • Deze bloem is meer rood dan oranje 
    • Als je wil slagen, moet je je meer inspannen. 
  2. (van tijd)
    1. vaker
      • Ik heb wel meer met de trein gereisd. 
    2. na een ontkenning nog langer
    • Hij is niet meer welkom. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2.2] door de bomen het bos niet meer zien
    door een overvloed aan informatie het overzicht verliezen
  • [2.2] peen pap meer kunnen zeggen
    erg moe zijn
  • [2.2] er geen voet meer in huis zetten
    het nooit meer willen bezoeken
Spreekwoorden
  • [2.2] maak je maar boos, dan heb je twee keer werk, één keer om boos te worden, en één om niet meer boos te zijn.
    woede kost veel energie en lost niets op

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "meer" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. meer op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  5. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be