weed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

weed m

  1. (plantkunde) Isatis tinctoria Wikispecies-logo-en.png plant van het geslacht Isatis Wikispecies-logo-en.png, uit de familie der kruisbloemigen die werd gebruikt voor het blauw verven van stoffen [2]
  2. marihuana, wiet
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal



Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
weed weeds

Zelfstandig naamwoord

weed

  1. onkruid, wied
    «He grew wild, a thriving weed, a tall, quick boy, loud and proud and full of temper.[1]»
    Hij schoot op als een wildeling, tierig als onkruid, een grote, kwieke jongen, fel en fier en vol branie.[2]
  2. marihuana, wiet
  3. tabak
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /weːd/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

weed o

  1. onkruid, wied
  2. marihuana, wiet
Verbuiging


Citefout: De tag <ref> bestaat, maar de tag <references/> is niet aangetroffen