Naar inhoud springen

weed

Uit WikiWoordenboek

(heteroniem)

  • weed
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord weed -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie in deze betekenis.

[A]deweedm

  1. (plantkunde) benaming voor Isatis tinctoria op Wikispecies plant van het geslacht Isatis op Wikispecies, uit de familie der kruisbloemigen die werd gebruikt voor het blauw verven van stoffen
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord weed -
verkleinwoord weedje weedjes

[B]deweedm

  1. benaming voor de als roesmiddel gebruikte gedroogde toppen van de vrouwelijke hennepplant Cannabis sativa op Wikispecies
54 %van de Nederlanders;
67 %van de Vlamingen.[5]
enkelvoud meervoud
weed weeds

weed

  1. onkruid, wied
    «He grew wild, a thriving weed, a tall, quick boy, loud and proud and full of temper.[1]»
    Hij schoot op als een wildeling, tierig als onkruid, een grote, kwieke jongen, fel en fier en vol branie.[2]
  2. marihuana, wiet
  3. tabak
  1. Ursula K. Le Guin, A Wizard of Earthsea, 1968 (2004 uitg., ISBN 0-553-38304-3)
  2. Frits Oomes (vert.), Machten van Aardzee, 1974 (2000 uitg., ISBN 90-274-6837-0)

weed v

  1. (spreektaal) wiet
    «Si je fume de la weed c’est pour être plus près de Dieu.»
    Ik rook wiet om dichter bij God te zijn. [1]
  • IPA: /weːd/ (Etsbergs)

weed o

  1. onkruid, wied
  2. marihuana, wiet