weed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weed
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘marihuana’ voor het eerst aangetroffen in 1962 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord weed -
verkleinwoord weedje weedjes

Zelfstandig naamwoord

weed m

  1. (plantkunde) Isatis tinctoria op Wikispecies plant van het geslacht Isatis op Wikispecies, uit de familie der kruisbloemigen die werd gebruikt voor het blauw verven van stoffen [3]
  2. marihuana, wiet
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
weed weeds

Zelfstandig naamwoord

weed

  1. onkruid, wied
    «He grew wild, a thriving weed, a tall, quick boy, loud and proud and full of temper.[1]»
    Hij schoot op als een wildeling, tierig als onkruid, een grote, kwieke jongen, fel en fier en vol branie.[2]
  2. marihuana, wiet
  3. tabak

Verwijzingen

  1. Ursula K. Le Guin, A Wizard of Earthsea, 1968 (2004 uitg., ISBN 0-553-38304-3)
  2. Frits Oomes (vert.), Machten van Aardzee, 1974 (2000 uitg., ISBN 90-274-6837-0)


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

weed v

  1. (spreektaal) wiet
    «Si je fume de la weed c’est pour être plus près de Dieu.»
    Ik rook wiet om dichter bij God te zijn. [1]

Verwijzingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /weːd/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

weed o

  1. onkruid, wied
  2. marihuana, wiet
Verbuiging