potte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pot·te

Werkwoord

vervoeging van
potten

potte

  1. enkelvoud verleden tijd van potten
    • Ik potte. 
    • Jij potte. 
    • Hij, zij, het potte. 
  2. aanvoegende wijs van potten