potplant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

beeldhouwwerk van een potplant
Uitspraak
Woordafbreking
  • pot·plant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord potplant potplanten
verkleinwoord potplantje potplantjes

Zelfstandig naamwoord

potplant v/m [1]

  1. een plant die in een bloempot gekweekt is, kan zowel binnens- als buitenshuis gebruikt worden
    • Let wel, ze willen in de eerste plaats een goede garage zijn, geen tuttenboetiek. Maar een kind ziet dat dit geen gewoon autobedrijf is. De achterwand van de wachtruimte is behangen met in roze gespoten auto-onderdelen - een conceptueel kunstwerk. Het kantoor is een minituincentrum met een behang van kunstgras en wanden vol potplanten. Aan de autospiegels hangen vrolijk overmaatse prijskaarten in speelse kleuren. Klanten kunnen de wachttijd doden met nagels lakken of sieraden aanschaffen. De Mini cabrio in de etalage staat in een decor van zand en strooien hoedjes. En op vrijdagen komt de nagelstyliste. [2] 
    • Exotische platwormen zijn in opkomst in Europa, ook in Nederland. De platwormen uit onder meer Nieuw-Guinea en Zuid-Amerika, eten slakken, regenwormen en andere bodemdieren. Ze verplaatsen zich via de internationale handel in potplanten. „Tien jaar geleden bestond dit probleem niet op het Europese continent”, zegt de Franse ecoloog Jean-Lou Justine. [3] 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Bas van Putten 25 juni 2016
  3. NRC Hester van Santen 25 juni 2015