schaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘maatstaf voor verhouding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1864 [1]
  • In de betekenis van ‘schotel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1302 [2]
  • In de betekenis van ‘schil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1174 [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord schaal schalen
verkleinwoord schaaltje schaaltjes

Zelfstandig naamwoord

schaal v/m

  1. voorwerp waar men iets kan inleggen
  2. buitenkant van een ei of vrucht
  3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  4. bepaalde ijking op een grafiek , as of eenheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schalen

schaal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
    • Ik schaal. 
  2. gebiedende wijs van schalen
    • Schaal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
    • Schaal je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen