bod

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bod
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het bieden’ voor het eerst aangetroffen in 1440 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bod
verkleinwoord bodje bodjes

Zelfstandig naamwoord

bod o

  1. (handel) een door een koper voorgestelde prijs
    • Zijn bod was veel te laag. 
  2. (handel) de handeling van het bieden
    • Ze deed een bod op de antieke tafel. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • aan bod komen
aan de beurt komen, de kans krijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Angelsaksisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *budą

Zelfstandig naamwoord

bod

  1. commando, opdracht, mandaat, bevel
Afgeleide begrippen


Drents

Zelfstandig naamwoord

bod

  1. bod


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

bod

  1. bod


Pools

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bod

  1. (eenheid)(elektrotechniek)(informatica) baud; eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)

Meer informatie


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

bod m

  1. (wiskunde) punt; een dimensieloos stuk ruimte
  2. punt; een aanduiding van een waarde of score
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • bod
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Proto-Slavische *bodъ

Zelfstandig naamwoord

bod monbezield

  1. (wiskunde) punt; een dimensieloos stuk ruimte
    «Přímky a a b mají průsečík v bodě P.»
    De lijnen a en b hebben snijpunt in punt P.
  2. punt; een positie in de ruimte
    «Na tomto bodě se setkávají dvě historické stezky.»
    Op dit punt komen twee historische paden samen.
  3. punt; een aanduiding van een waarde of score
    «Vedeme ligu o 5 bodů
    We leiden de competitie met vijf punten voorsprong.
  4. punt; een mening of onderwerp in een discussie of betoog
    «Přikročme k dalšímu bodu programu.»
    Laten we doorgaan naar het volgende programmapunt.
  5. (natuurkunde)(techniek)(meteorologie)(scheikunde) punt; een temperatuur
    «Teplota v noci klesla pod bod mrazu.»
    De temperatuur is in de nacht onder het vriespunt gedaald.
  6. steek, treffer; penetratie met een scherp puntig voorwerp
    «Po druhém bodu mrtev sklesl mi šlechtic k nohám»
    Na de tweede treffer viel de edele dood voor mijn voeten neer.
Verbuiging
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
  1. (verouderd) punkt monbezield, tečka v
  2. místo o
  3. (verouderd) punkt monbezield, část v, oddíl
  4. bodnutí o
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Anagrammen
Paroniemen

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

bod

  1. mannelijk derde persoon enkelvoud verleden tijd van het imperfectieve werkwoord bodnout
  2. mannelijk enkelvoud actief deelwoord van het imperfectieve werkwoord bodnout
Synoniemen


Wymysoojs

Woordherkomst en -opbouw
  • Gerelateerd aan het Duitse Bad

Zelfstandig naamwoord

bod

  1. bad
Schrijfwijzen