bod

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bod
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bod biedingen
verkleinwoord bodje bodjes

Zelfstandig naamwoord

bod o

  1. (handel) een door een koper voorgestelde prijs
    • Zijn bod was veel te laag. 
  2. (handel) de handeling van het bieden
    • Ze deed een bod op de antieke tafel. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • aan bod komen
aan de beurt komen, de kans krijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl