kruik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kruik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kruik kruiken
verkleinwoord kruikje kruikjes

Zelfstandig naamwoord

kruik v/m

  1. een fles of zak die gevuld is met warm water en die dient om het bed te verwarmen
    • Leg even die kruik in mijn bed. 
  2. een vat om een vloeistof in te bewaren en om die eruit te schenken
    • We namen een kruik mee op onze expeditie. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen