toilet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toi·let
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Franse woord toilette, een verkleinvorm van toile (doek). Het begrip evolueerde van "zich kleden" tot "kleedkamer" tot "kleedkamer met voorzieningen zoals wc" tot de huidige betekenissen 1 en 2.
enkelvoud meervoud
naamwoord toilet toiletten
verkleinwoord toiletje toiletjes

Zelfstandig naamwoord

toilet o

  1. een plaats waar men kan urineren en zich kan ontlasten, meestal een kleine gesloten ruimte met een toiletpot
    Weet u waar de toiletten zich bevinden?
  2. toiletpot
    Hij zit net op het toilet.
  3. (huishouden) persoonlijke verzorging zoals het zich netjes kleden en opmaken, m.n. van vrouwen gezegd
    Ze was altijd heel lang bezig met haar toilet als ze naar een feest ging.[1]
Synoniemen
  • [1], [2] wc
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Georgina Harding, Wie zij was, 2009


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
toilet toilets

Zelfstandig naamwoord

toilet

  1. toilet


Indonesisch

Woordafbreking
  • toi·let
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

toilet

  1. wc, toilet
  2. kaptafel
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen