bus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: bús
Bus (1)
Busjes (2)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bus
Woordherkomst en -opbouw
  • [1]: Latijn: omnibus: voor iedereen
enkelvoud meervoud
naamwoord bus bussen
verkleinwoord busje busjes

Zelfstandig naamwoord

bus [1]: m; [2-5]: m/v

  1. (verkeer) vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers (autobus)
  2. een blikken bewaardoos met deksel (blik, blikje)
  3. collectebus
  4. postbus, brievenbus
  5. (informatica) een standaardmethode voor het verbinden van de onderdelen van een computer
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
bus buses

Zelfstandig naamwoord

bus

  1. (verkeer) bus


Indonesisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

bus

  1. (verkeer) bus
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Bus
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Bus der Bus Busse die Busse
datief me Bus em Bus Busse de Busse
accusatief en Bus der Bus Busse die Busse

Zelfstandig naamwoord

bus, m

  1. (verkeer) autobus, bus, omnibus
    «Dann sin mir widder mit de Busse zerick gfaahre.»
    Dan zijn we weer met de bussen terug gereden.
Afgeleide begrippen
Opmerkingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • bus
enkelvoud meervoud
bus buses

Zelfstandig naamwoord

bus m

  1. (verkeer) bus
Synoniemen
Verwijzingen