drankje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drank·je
enkelvoud meervoud
naamwoord drank dranken
verkleinwoord drankje drankjes

Zelfstandig naamwoord

drankje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord drank
  2. dim. tant. glaasje drank (die vaak het distillatieproduct van alcohol bevat)
     'Kunnen we niet nog een laatste drankje nemen en eerst wat praten?' vroeg ze en ze spreidde vertwijfeld haar armen.[1]
  3. dim. tant. vloeibaar medicament
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628265
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be