spel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spel
enkelvoud meervoud
naamwoord spel spelen, spellen
verkleinwoord spelletje spelletjes

Zelfstandig naamwoord

spel o

  1. een bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
    • Hij speelde een spel op zijn gloednieuwe spelcomputer. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • (alles) op het spel zetten
inzetten met als doel om veel te winnen maar ook het risico lopen om veel te verliezen
  • ongeluk in het spel, geluk in de liefde
wie pech heeft in iets onbelangrijks kan geluk hebben bij iets belangrijkers
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Alles op het spel zetten
alles inzetten en mogelijk alles verliezen
  • Brood en spelen
  • Buiten spel blijven
(willen) proberen niet betrokken te zijn
  • Hoog spel spelen
veel/grote risico's nemen
  • Niet om de knikkers, maar om het spel.
het gaat niet om het winnen, maar om het spel
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
spellen

spel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
    • Ik spel. 
  2. gebiedende wijs van spellen
    • Spel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
    • Spel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Nynorsk

Woordafbreking
  • spel

Werkwoord

spel

  1. gebiedende wijs van spela
Schrijfwijzen

Werkwoord

spel

  1. gebiedende wijs van spele
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

spel, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van spel