spel
Uiterlijk
- spel
- erfwoord, via Middelnederlands spel van Oudnederlands spil, in de betekenis van ‘ontspanning’ aangetroffen vanaf 951 [1][2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spel | spelen spellen |
| verkleinwoord | spelletje | spelletjes |
het spel o
- bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
- Hij speelde een spel op zijn gloednieuwe spelcomputer.
- ▸ Naast allerlei paternalistische suggesties van een geëngageerde hogere middenklasse op het terrein van voeding, gezinsleven en geheelonthouding, namen allerlei vormen van lichaamsbeweging en spel overal in Europa een prominente plaats in bij de 'volksverheffers', zoals historicus Christianne Smit ze treffend noemt.[3]
- ▸ Volgens Allen Guttmann is de loskoppeling van sport en spel met religieuze rituelen of connotaties in de loop van de negentiende eeuw cruciaal geweest voor de ontwikkeling van sport als eigen sociaal-cultureel domein.[3]
- ▸ Vandaag worden spelletjes gespeeld. Er komen ook nog een playbackshow en een barbecue. Vuurkorven, lampjes en een waslijn met wat sokken en kleren, maken het vakantiegevoel compleet.[4]
|
- alles op het spel zetten
alles inzetten en mogelijk alles verliezen
- brood en spelen
voedsel en vermaak, opgevat als middelen voor een regiem om de bevolking rustig te houden
- buiten spel blijven
niet betrokken raken
- hoog spel spelen
veel of grote risico's nemen
- niet om de knikkers, maar om het spel
het gaat niet om het winnen, maar om het vermaak
- ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefde
wie pech heeft in iets onbelangrijks kan geluk hebben bij iets belangrijkers
- op het spel zetten
riskeren om iets anders te bereiken
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
| vervoeging van |
|---|
| spellen |
spel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
- Ik spel.
- gebiedende wijs van spellen
- Spel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spellen
- Spel je?
- Het woord spel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "spel" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Oudnederlands Woordenboek
- 1 2 Onno van Nijf“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275 - ↑
Weblink bron “97 jaar oud en toch op de camping in Emmeloord” (23 juni 2022), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
spel
- spel; een bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
- spel
spel
- gebiedende wijs van spela
spel
- gebiedende wijs van spele
spel, mv
- onbepaalde vorm nominatief meervoud van spel
spel
- spel; een bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Erfwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Nedersaksisch
- Zelfstandig naamwoord in het Nedersaksisch
- Woorden in het Nynorsk
- Woorden in het Nynorsk van lengte 4
- Werkwoordsvorm in het Nynorsk
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nynorsk
- Woorden in het Veluws
- Zelfstandig naamwoord in het Veluws