koker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koker kokers
verkleinwoord kokertje kokertjes

Zelfstandig naamwoord

koker m

  1. een smal cilindervormig hol voorwerp, bruikbaar als verpakking
    In de verborgen koker zat een geheim testament.
  2. (huishouden) een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
    Mama was erg blij met de nieuwe koker voor haar keuken.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Noors

Woordafbreking
  • ko·ker
Naar frequentie 6682

Werkwoord

koker

  1. tegenwoordige tijd van koke

Zelfstandig naamwoord

koker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van kok
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

koker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van koke


Nynorsk

Woordafbreking
  • ko·ker

Werkwoord

koker

  1. tegenwoordige tijd van koke
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

koker, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van koke