emmer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een emmer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • em·mer
Woordherkomst en -opbouw
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord emmer emmers
verkleinwoord emmertje emmertjes

Zelfstandig naamwoord

[2] enkelvoud meervoud
naamwoord emmer -
verkleinwoord - -

emmer m [2]

  1. busvormig taps toelopend vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
    • Moe van het ramen lappen zette hij de emmer weg. 
  2. Triticum dicoccum Schrank ex Schuebl. syn. Triticum turgidum subsp. dicoccon is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • dat was de druppel die emmer deed overlopen
een kleine gebeurtenis die er voor zorgt dat een grens werd overschreden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
emmeren

emmer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van emmeren
    • Ik emmer. 
  2. gebiedende wijs van emmeren
    • Emmer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van emmeren
    • Emmer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal