stamppot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stamp·pot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stamppot stamppotten
verkleinwoord stamppotje stamppotjes

Zelfstandig naamwoord

stamppot m

  1. gerecht van groente, vermengd met aardappelen of een andere wortelplant, waar bij bereiding met een stamper gewerkt wordt
    • Ik kom uit een stamppotcultuur. Neem een aardappel en een wortel, verbrijzel beide met een hamer, giet er water bij en dat is liefde. In Holland. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 74