kist

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kist kisten
verkleinwoord kistje kistjes

Zelfstandig naamwoord

kist v/m

  1. vrij grote stevige rechthoekige doos voor opslag of vervoer van losse goederen
  2. als 1: datgene waarin iemand ter aarde besteld wordt
  3. vliegjargon vliegtuig
  4. grove schoen, legerlaars, "legerkist"
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
kissen

kist

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kissen
    Jij kist.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kissen
    Hij kist.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van kissen
    Kist!

Werkwoord

vervoeging van
kisten

kist

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kisten
    Ik kist.
  2. gebiedende wijs van kisten
    Kist!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kisten
    Kist je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl