kist

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kist kisten
verkleinwoord kistje kistjes

Zelfstandig naamwoord

kist v/m

  1. vrij grote stevige rechthoekige doos voor opslag of vervoer van losse goederen
  2. als 1: datgene waarin iemand ter aarde besteld wordt
  3. vliegjargon vliegtuig
  4. grove schoen, legerlaars, "legerkist"
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
kissen

kist

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kissen
    • Jij kist. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kissen
    • Hij kist. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van kissen
    • Kist! 

Werkwoord

vervoeging van
kisten

kist

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van kisten
  2. gebiedende wijs van kisten

Verwijzingen