blauw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blauw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blauw blauwen
verkleinwoord blauwtje blauwtjes

Zelfstandig naamwoord

blauw o

  1. (kleur) de primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
    Dat blauw ziet er best mooi uit.
    Blauw is de kleur van de hemel en de Middellandse Zee.
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen blauw blauwer blauwst
verbogen blauwe blauwere blauwste
partitief blauws blauwers -

Bijvoeglijk naamwoord

blauw

  1. (kleur) de kleur blauw hebbend
    Dat lijkt wel een blauw huis!
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • blauw gevroren
  • iemand bont en blauw slaan
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
blauwen

blauw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
    Ik blauw.
  2. gebiedende wijs van blauwen
    Blauw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blauwen
    Blauw je?