kleur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lichtnuance’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: couleur, colore
Frans: couleur
Latijn: color
  • Verwant in Germaans:
Engels: color, colour, Fries: kleur
enkelvoud meervoud
naamwoord kleur kleuren
verkleinwoord kleurtje kleurtjes

Zelfstandig naamwoord

kleur v

  1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • een kleur krijgen
  • Iets in kleuren en geuren vertellen
iets met overdrijving en fantasie vertellen
  • Kleur bekennen
Mening geven
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kleuren

kleur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
    • Ik kleur. 
  2. gebiedende wijs van kleuren
    • Kleur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
    • Kleur je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Gronings

Zelfstandig naamwoord

kleur

  1. (kleur) kleur; het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  2. (schilderkunst) verf; de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen tegen de weersomstandigheden of te kleuren door ze van een pigmenthoudende laag te voorzien


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

kleur

  1. (kleur) kleur; het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  2. (schilderkunst) verf; de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen tegen de weersomstandigheden of te kleuren door ze van een pigmenthoudende laag te voorzien
Schrijfwijzen
Synoniemen

Meer informatie