hemel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·mel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘firmament’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hemel
Oudnederlands: himil, himel
Germaans: *himilaz
Indo-Europees: *k(')em-en-, *k(')em-er-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: heaven (Angelsaksisch: heofon), Duits: Himmel, (Oudhoogduits: himil), Fries: himel (Oudfries: himel, himil)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: himmel, (Oudnoords: himinn), IJslands: himinn
Oost: Gotisch: himins
1. enkelvoud meervoud
naamwoord hemel hemels
verkleinwoord hemeltje hemeltjes
2. enkelvoud meervoud
naamwoord hemel hemelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hemel m

  1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. (religie) hiernamaals, het leven na de dood, de gelukzalige toestand of plaats waar God verblijft of de goden verblijven
  3. (figuurlijk) een geweldige plek of toestand
    • Het kunnen ontmoeten van je held is de hemel 
  4. baldakijn
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets of iemand de hemel in prijzen
zeggen dat iets of iemand heel goed is
  • de sterren van de hemel zingen
heel goed zingen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hemelen

hemel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemelen
    • Ik hemel. 
  2. gebiedende wijs van hemelen
    • Hemel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemelen
    • Hemel je? 

Verwijzingen