purper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pur·per
enkelvoud meervoud
naamwoord purper
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

purper o

  1. (kleur) een paarsige kleur
    Heeft u die ook in het purper?
stellend
onverbogen purper
verbogen purpere

Bijvoeglijk naamwoord

purper

  1. (kleur) de kleur purper hebbend
    Hij rijdt in een purpere auto.
Synoniemen