purper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pur·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord purper
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

purper o [2]

  1. (kleur) een paarsige kleur
    Heeft u die ook in het purper?
stellend
onverbogen purper
verbogen purpere

Bijvoeglijk naamwoord

purper

  1. (kleur) de kleur purper hebbend
    Hij rijdt in een purpere auto.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal

Werkwoord

vervoeging van
purperen

purper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van purperen
    Ik purper.
  2. gebiedende wijs van purperen
    Purper!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van purperen
    Purper je?