bruin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bruin
enkelvoud meervoud
naamwoord bruin bruinen
verkleinwoord bruintje bruintjes

Zelfstandig naamwoord

bruin o

  1. (kleur) een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie
    Dat bruin ziet er best mooi uit.
  2. een paard, vooral een paard met een vacht in de kleur ~1.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: dat kan bruintje niet trekken.
dat is te duur.
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bruin bruiner bruinst
verbogen bruine bruinere bruinste
partitief bruins bruiners -

Bijvoeglijk naamwoord

bruin

  1. (kleur) een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
    Dat is een bruin huis!
  2. gemakkelijk, zonder beslommeringen
    Zij leiden daar een bruin leven!
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bruinen

bruin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
    Ik bruin.
  2. gebiedende wijs van bruinen
    Bruin!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bruinen
    Bruin je?

Meer informatie