Naar inhoud springen

paars

Uit WikiWoordenboek
 
paars
  • paars
enkelvoud meervoud
naamwoord paars paarsen
verkleinwoord - -

hetpaarso

  1. (kleur) diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood
    • In de katholieke kerk is paars de kleur van boetedoening en rouw. 
     Wilde bloemen: spetters rood en paars, kanariegele bloemblaadjes die bewogen in de bries.[2]
  2. paarse kleurstof
    • Tussen al die verfpotten kan ik het paars niet vinden. 
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen paarspaarserpaarst
verbogen paarsepaarserepaarste
partitief paarspaarsers-

paars

  1. (kleur) met een kleur tussen rood en blauw
    • Op het bal droeg zij een paarse jurk. 
     Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.[3]
  2. (politiek) vertegenwoordigd door zowel als linkse als rechtse partijen
    • Een paars kabinet. 
    • Een paarse regering. 
  3. partitief van de stellende trap van paar
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. "paars" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be