Naar inhoud springen

paars

Uit WikiWoordenboek
 
paars
  • paars
enkelvoud meervoud
naamwoord paars paarsen
verkleinwoord - -

hetpaarso

  1. (kleur) diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood
     Ze droeg een nauwsluitende zwartfluwelen broek met daarop een paars truitje.[2]
     Haar handen lagen in haar schoot en speelden met een lange, monsterlijke ketting die van haar hals afhing, een ketting bezet met juwelen van paars glas, groot als duiveneieren.[3]
    • In de katholieke kerk is paars de kleur van boetedoening en rouw. 
     Wilde bloemen: spetters rood en paars, kanariegele bloemblaadjes die bewogen in de bries.[4]
  2. paarse kleurstof
    • Tussen al die verfpotten kan ik het paars niet vinden. 
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen paarspaarserpaarst
verbogen paarsepaarserepaarste
partitief paarspaarsers-

paars

  1. (kleur) met een kleur tussen rood en blauw
    • Op het bal droeg zij een paarse jurk. 
     Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.[5]
  2. (politiek) vertegenwoordigd door zowel als linkse als rechtse partijen
    • Een paars kabinet. 
    • Een paarse regering. 
  3. partitief van de stellende trap van paar
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]