groenblauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen·blauw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groenblauw
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

groenblauw o

  1. (RAL-kleur) een kleur tussen groen en blauw met RAL-nummer 5001.
    • Heeft u die ook in het groenblauw? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groenblauw groenblauwer groenblauwst
verbogen groenblauwe groenblauwere groenblauwste
partitief groenblauws groenblauwers -

Bijvoeglijk naamwoord

groenblauw

  1. (RAL-kleur) deze kleur hebbend, een kleur tussen groen en blauw, met RAL-nummer 5001.
    • Hij rijdt in een groenblauwe auto. 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie