sneeuwwit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sneeuw·wit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sneeuwwit
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sneeuwwit o

  1. (kleur) zo wit als sneeuw
    Heeft u die ook in het sneeuwwit?
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sneeuwwit sneeuwwitter sneeuwwitst
verbogen sneeuwwitte sneeuwwittere sneeuwwitste
partitief sneeuwwits sneeuwwitters -

Bijvoeglijk naamwoord

sneeuwwit

  1. (kleur), (intensief) de kleur sneeuwwit hebbend, zo wit als sneeuw
    Hij rijdt in een sneeuwwitte auto.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.