vaalgeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaal·geel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaalgeel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaalgeel o

  1. (kleur) een vaal geworden kleur geel
    • Heeft u die ook in het vaalgeel? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vaalgeel vaalgeler vaalgeelst
verbogen vaalgele vaalgelere vaalgeelste
partitief vaalgeels vaalgelers -

Bijvoeglijk naamwoord

vaalgeel

  1. (kleur) de kleur vaalgeel hebbend
    • Hij rijdt in een vaalgele auto. 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie