kant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kant
2,3 enkelvoud meervoud
naamwoord kant kanten
verkleinwoord kantje kantjes

Zelfstandig naamwoord

kant

  1. o een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoenen draden
    Het kant op de rok was netjes afgewerkt.
  2. m richting
    De juiste kant werd aangegeven op het bord.
  3. m zijde
    Een vel papier heeft twee kanten.
    Het is de vraag van welke kant je dat bekijkt.
  4. o (kleur) de kleur van de stof kant hebbend
    Heeft u die ook in het kant?
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Aan de andere kant...

  • Een aanduiding om aan te geven dat men ook tegenovergesteld over iets kan denken.

Aan de kant zetten.

  • Iemand of iets niet meer raadplegen of gebruiken.
  • Dat raakt kant nog wal.
Iets is volstrekt onbruikbaar.
  • De liefde kan niet van één kant komen.
als je samen iets doet zal ieder moeten bijdragen
  • Een dubbeltje op zijn kant zijn.
een gevaarlijke situatie zijn en maar net goed gaan
  • Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener.
men denkt dat anderen geen problemen hebben
  • Iemand van kant maken
Iemand doden
  • Iets over z'n kant laten gaan
ergens niets van aantrekken
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kant kanter kantst
verbogen kante kantere kantste

Bijvoeglijk naamwoord

kant [1]

Werkwoord

vervoeging van
kanten

kant

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van kanten
  2. gebiedende wijs van kanten

Meer informatie


Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal


Bretons

Telwoord (bre)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

kant

  1. honderd