grijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
grijs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grijs
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lichtgrauw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1140 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord grijs grijzen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

grijs o

  1. (kleur) elke achromatische tint tussen wit en zwart
    • Dit grijs lijkt wel erg donker. 
    • Grijs, wit en zwart zijn achromatische kleuren en dat betekent letterlijk dat dit kleuren zijn ‘zonder een echte kleur’.[2] 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grijs grijzer grijst
verbogen grijze grijzere grijste
partitief grijs grijzers -

Bijvoeglijk naamwoord

grijs

  1. (kleur) de kleur grijs hebbend
    • Dat is een grijze auto. 
     De outfit komt 'met alle toeters en bellen', inclusief de aanpassingen die Whitney zelf heeft gedaan. In het grijze pak dat de zangeres onder de outfit droeg, zitten zelfs nog wat gaten die er tijdens de opnames zijn ingekomen. Ook missen er daardoor wat chromen balletjes die aan het pak zaten.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
grijzen

grijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
    • Ik grijs. 
  2. gebiedende wijs van grijzen
    • Grijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
    • Grijs je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Verwijzingen