grijs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grijs
enkelvoud meervoud
naamwoord grijs grijzen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

grijs o

  1. (kleur) elke neutrale kleur tussen wit en zwart
    Dit grijs lijkt wel erg donker.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grijs grijzer grijst
verbogen grijze grijzere grijste

Bijvoeglijk naamwoord

grijs

  1. (kleur) de kleur grijs hebbend
    Dat is een grijze auto.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
grijzen

grijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
    Ik grijs.
  2. gebiedende wijs van grijzen
    Grijs!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
    Grijs je?

Meer informatie