grijs

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
grijs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grijs
enkelvoud meervoud
naamwoord grijs grijzen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

grijs o

  1. (kleur) elke neutrale kleur tussen wit en zwart
    • Dit grijs lijkt wel erg donker. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen grijs grijzer grijst
verbogen grijze grijzere grijste
partitief grijs grijzers -

Bijvoeglijk naamwoord

grijs

  1. (kleur) de kleur grijs hebbend
    • Dat is een grijze auto. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
grijzen

grijs

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
    • Ik grijs. 
  2. gebiedende wijs van grijzen
    • Grijs! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
    • Grijs je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie