zwart

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwart
enkelvoud meervoud
naamwoord zwart -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zwart o

  1. (kleur) de kleur die men waarneemt als een voorwerp helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
    • Heeft u die ook in het zwart? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zwart zwarter zwartst
verbogen zwarte zwartere zwartste
partitief zwarts zwarters -

Bijvoeglijk naamwoord

zwart

  1. (kleur) de kleur zwart hebbend
  2. somber, rampspoedig
  3. clandestien, illegaal (zwart geld etc.)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zwart van de honger zijn ( of zien)
er uitgeteerd en mager uitzien
  • Zwarte sneeuw zien
  • De pot verwijt de ketel dat die zwart ziet
een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft
  • Het zwarte schaap zijn
totaal anders dan de rest ofwel: iemand die altijd de schuld krijgt
  • Hij liegt, dat hij zwart ziet ( of wordt)
hij is een aartsleugenaar
  • Iemand zwart maken
lelijke dingen over iemand vertellen
  • Iets zwart op wit hebben
het op papier hebben staan
  • Op zwart zaad zitten
geen geld hebben
Vertalingen

Bijwoord

zwart

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord

Werkwoord

vervoeging van
zwarten

zwart

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zwarten
  2. gebiedende wijs van zwarten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie



Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈzwɑrt/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

zwart

  1. (kleur) zwart.

Zelfstandig naamwoord

zwart o

  1. (kleur) zwart.
Verbuiging