groen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groen groenen
verkleinwoord groentje groentjes

Zelfstandig naamwoord

groen o

  1. (kleur) de kleur tussen geel en blauw
    • Dit groen lijkt wel erg donker. 
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groen groener groenst
verbogen groene groenere groenste
partitief groens groeners -

Bijvoeglijk naamwoord

groen

  1. (kleur) de kleur groen hebbend
    • Dat is een groene vlag. 
  2. ecologisch verantwoord, milieuvriendelijk
    • Hij wil alleen maar groene benzine en groene stroom gebruiken. 
  3. onervaren, nieuw
    • Hij is nog een beetje groen, maar dat trekt wel bij. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
groenen

groen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groenen
    • Ik groen. 
  2. gebiedende wijs van groenen
    • Groen! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groenen
    • Groen je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie



Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

groen

  1. groen


Welsh

Zelfstandig naamwoord

groen

  1. gemuteerde vorm van croen