lichtgeel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • licht·geel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lichtgeel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lichtgeel o

  1. (kleur) een lichte kleur geel
    Heeft u die ook in het lichtgeel?
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lichtgeel lichtgeler lichtgeelst
verbogen lichtgele lichtgelere lichtgeelste
partitief lichtgeels lichtgelers -

Bijvoeglijk naamwoord

lichtgeel

  1. (kleur) de kleur lichtgeel hebbend, een kleur geel
    Hij rijdt in een lichtgele auto.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.