criminaliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cri·mi·na·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘misdadigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1865 [1]
  • Van het Franse criminalité met het achtervoegsel -iteit [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord criminaliteit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

criminaliteit v

  1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
    • De criminaliteit is de laatste jaren in het algemeen minder geworden, maar sommige vormen, zoals cybercriminaliteit zijn wel toegenomen. 
  2. de bevolkingsgroep die zich met [1] bezighoudt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen