rood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rood
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord rood -
verkleinwoord - -
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord rood roden
verkleinwoord roodje roodjes

Zelfstandig naamwoord

rood

  1. o (kleur) een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm
  2. v/m (valkerij) een vogel die nog niet gemuit heeft en zijn jeugdkleed nog heeft
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rood roder, (rooier) roodst
verbogen rode, (rooie) rodere, (rooiere) roodste
partitief roods roders, (rooiers) -

Bijvoeglijk naamwoord

rood

  1. (kleur) de kleur rood hebbend
    Na dat geren zien jullie allemaal rood, maar Jan is wel het roodst.
Vertalingen