geel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
  • geel
enkelvoud meervoud
naamwoord geel gelen
verkleinwoord geeltje geeltjes

Zelfstandig naamwoord

geel o

  1. (kleur) een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte van ca. 570 - 582 nm
    • Het geel van deze afbeelding steekt scherp af tegen het blauw. 
  2. (dierkunde) Trichomonas gallinae, een aandoening van keel, luchtpijp en krop veroorzaakt door een ééncellige parasiet
    • Vroeger was het geel een gevreesde, want dodelijke, ziekte die nu veelal genezen kan worden. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geel geler geelst
verbogen gele gelere geelste
partitief geels gelers -

Bijvoeglijk naamwoord

geel

  1. geel hebbend als kleur
    • Hij rijdt in een gele auto. 
Vertalingen

Naamwoorden die kleuren aangeven kunnen afhankelijk van de taal puur zelfstandig (z) of puur bijvoeglijk (b) zijn. Vaak echter zijn zij in principe zelfstandig maar worden zij ook bijvoeglijk gebruikt (z/b) of juist het omgekeerde (b/z)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

geel

  1. geel