donkerblauw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·ker·blauw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donkerblauw
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

donkerblauw o

  1. (kleur) een donkere variant van de kleur blauw
    • Heeft u die ook in het donkerblauw? 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen donkerblauw donkerblauwer donkerblauwst
verbogen donkerblauwe donkerblauwere donkerblauwste
partitief donkerblauws donkerblauwers -

Bijvoeglijk naamwoord

donkerblauw

  1. (kleur) de kleur donkerblauw hebbend
    • Hij rijdt in een donkerblauwe auto. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.