Naar inhoud springen

linnen

Uit WikiWoordenboek
  • lin·nen
  • In de betekenis van ‘weefsel van vlas’ voor het eerst aangetroffen in 1236 [1]
  • Afgeleid van linne met het achtervoegsel -en [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord linnen linnens
verkleinwoord

hetlinneno

  1. (landbouw), (kleding), (textielindustrie) product op basis van vlas
     Als haar lippen het linnen raken, moet ze denken aan Walters mond op de hare.[3]
  2. (kleur) de kleur van linnen hebbend
    • Heeft u die ook in het linnen? 
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen linnen

linnen

  1. van linnen vervaardigd
    • Zij had een linnen jasje aan. 
     Nella klautert van de ladder, loopt naar de linnen doeken en tilt voorzichtig een hoekje op.[4]
     ' Rebecca droogt zich af met een smetteloze linnen doek en gebaart naar de twee extra stoelen.[3]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]