blauwogig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blauw·ogig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van blauw en oog met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen blauwogig blauwogiger blauwogigst
verbogen blauwogige blauwogigere blauwogigste
partitief blauwogigs blauwogigers -

Bijvoeglijk naamwoord

blauwogig

  1. met blauwe ogen
    • Een blauwogige, platinablonde schoonheid won de missverkiezing. 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.