inbreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
inbreken inberekend
inbraak ingebroken
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van breken met het voorvoegsel in-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inbreken
brak in
ingebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

inbreken

  1. (inergatief) zich met geweld een toegang verschaffen
    Er werd ingebroken en de inbrekers namen een tas mee waar toevallig mijn paspoort in zat.
Vertalingen