i

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: I

Inhoud

Universeel

De grote I en de kleine i.

Letter

i

  1. negende letter van het Latijnse alfabet.
Verwante begrippen




Symbool

i

  1. (wiskunde) symbool voor het imaginaire deel van een complex getal, de imaginaire eenheid


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • i
enkelvoud meervoud
naamwoord i i's
verkleinwoord i'tje i'tjes

Zelfstandig naamwoord

i v / m

  1. (taalkunde) de negende letter van het alfabet

Meer informatie


Catalaans

Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse et.

Voegwoord

i

  1. en
    «Hi ha moltes colomes i teuladins.»
    Er zijn veel duiven en mussen.


Engels

Zelfstandig naamwoord

i

  1. i


Frans

Zelfstandig naamwoord

i

  1. i


Kiribatisch

Voornaamwoord

i

  1. ik


Italiaans

Lidwoord

i

  1. de


Latijn

Werkwoord

vervoeging van
īre

i

  1. actief imperatief praesens, tweede persoon enkelvoud van īre

Zelfstandig naamwoord

i

  1. i


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ɪ(ː)/ (Etsbergs)
enkelvoud meervoud
bepaald geheel inne inner
gemut. - -
onbepaald geheel i i
gemut. in in

Voorzetsel

i + datief/accusatief

  1. binnen
  2. in


Nauruaans

Voorzetsel

i

  1. in, te


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • i
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse i.

Voorzetsel

i

  1. in (plaats, ruimtelijk)
    «Jeg bor i et hus.»
    Ik woon in een huis.
  2. in (plaats, geografisch)
    «En kommune i Frankrike er den laveste administrative inndeling av landet.»
    Een gemeente in Frankrijk is de laagste administratieve splitsing van het land.
    «En fersk politirapport avdekker eksplosiv økning i ungdomsran og økt narkotikakriminalitet blant ungdommen i hovedstaden.»
    Uit een recent politierapport blijkt een explosieve toename van roofovervallen door jongeren en een gegroeide drugscriminaliteit onder jongeren in de hoofdstad.
  3. aan, in (tegen een vlak)
    «La oss klappe i hendene i begeistring over eksamen.»
    Laten we in de handen klappen voor geestdrift over het examen.
  4. in (tijd)
    «Både i desember i fjor og i januar i år var det over 400 konkurser, det dobbelte av en normalmåned de siste årene.»
    Zowel vorig jaar december als in januari van dit jaar waren er over 400 faillissementen, het dubbele van een normale maand in de afgelopen jaren.
  5. in (activiteit of toestand)
    «Folkemengden har stått i kulda i flere timer, enkelte er her for sjette dagen på rad.»
    Het volk heeft een aantal uren in de kou gestaan; sommigen zijn hier voor de zesde dag op rij.
  6. in (om deel, part en opsplitsing)
    «Skjær løken i skiver.»
    Snij de ui in plakjes.
  7. aan (met betrekking tot, in zake)
    «Han betalte for mye i skatt.»
    Hij betaalde te veel aan belastingen.
  8. van (met betrekking tot, in zake)
    «En fersk politirapport avdekker eksplosiv økning i ungdomsran og økt narkotikakriminalitet blant ungdommen i hovedstaden.»
    Uit een recent politierapport blijkt een explosieve toename van roofovervallen door jongeren en een gegroeide drugscriminaliteit onder jongeren in de hoofdstad.
  9. in (modus)
    «Sverige sier nei til tog som går i mer enn 250 km/t på strekningen mellom Oslo og Göteborg.»
    Zweden zegt nee tegen een trein die in meer dan 250 km / h rijdt op de route tussen Oslo en Göteborg.
Synoniemen
  • [1]:
  • [2]:
  • [6]: som
  • [8]: med hensyn til
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4]: i flere timer
een aantal uren
  • [4]: i god tid
op tijd
  • [5]: leve i fattigdom
in armoede leven

Zelfstandig naamwoord

i m

  1. (taalkunde) letter i, klinker i
Verbuiging
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • prikken over i-en
het puntje op de i


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • i
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse i.

Voorzetsel

i

  1. in (plaats, ruimtelijk)
    «Det står i brevet.»
    Het staat in de brief.
  2. in (plaats, geografisch)
    «I Danmark hadde ein som i Noreg den første folketeljinga i 1769.»
    In Denemarken hadden ze evenals in Noorwegen de eerste volkstelling in 1769.
  3. tegen
    «Bil hamna i fjellveggen i tunnel.»
    De auto belandde tegen de bergwand van de tunnel.
  4. in (tijd)
    «I året 1940.»
    In het jaar 1940.
  5. in (activiteit of toestand)
  6. in (om deel, part en opsplitsing)
  7. aan (met betrekking tot, in zake)
  8. van (met betrekking tot, in zake)
  9. in (modus)
Synoniemen
  • [1]:
  • [2]:
  • [6]: som
  • [8]: med omsyn til.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4]: i god tid
op tijd

Zelfstandig naamwoord

i m

  1. (taalkunde) letter i, klinker i
Verbuiging
Hyperoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • prikken over i-en
het puntje op de i


Tokelauaans

Voorzetsel

i

  1. in, op (bij eilanden), te (bij kernen)


Tsjechisch

Bijwoord

i

  1. ook, zelfs


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • i

Voorzetsel

i

  1. in
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen