instellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| instellen |
stelde in |
ingesteld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
instellen
- (overgankelijk) het op juiste wijze afregelen van een toestel
- Ik heb de ontvanger ingesteld op 231,3 megahertz.
- (overgankelijk) het in het leven roepen van een organisatie
- De regering van de Nederlandse Antillen is ingesteld met het Statuut.
- (overgankelijk) het geldig verklaren van een regeling
- Dit verbod is vorige maand ingesteld.
- voorbereid zijn op iets
- Daar was ik helemaal niet op ingesteld.
Synoniemen
- [2] aanstellen
- [3] afkondigen
Vertalingen
1. het op juiste wijze afregelen van een toestel