insneeuwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sneeu·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
insneeuwen
sneeuwde in
ingesneeuwd
zwak -d volledig

Werkwoord

insneeuwen

  1. (onpersoonlijk) van sneeuw binnendringen in de woning
    Het sneeuwt in door die kier naast de deur.
  2. (ergatief) door sneeuw van de buitenwereld afgesneden raken
    Ze waren ingesneeuwd in die skihut in de plotselinge sneeuwstorm.