het

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Naar frequentie 3
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • het
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: het
Oudnederlands: hit
Germaans: *hiz of *iz
  • Verwant in Germaans:
Fries: het (Oudfries: hit)

Persoonlijk voornaamwoord

het

  1. 3e persoon enkelvoud onzijdig.
    Het leger zegt dat het de situatie onder controle heeft, maar dat blijkt niet helemaal te kloppen.
Vertalingen

Onbepaald voornaamwoord

het

  1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
Vertalingen

Lidwoord

het o

  1. een bepaald lidwoord, wordt gebruikt voor onzijdige bepaalde zelfstandige naamwoorden en voor alle verkleinwoorden in het enkelvoud. Het geeft een specifieke persoon of ding aan: Het boek; het meisje
    Het leger zegt dat het de situatie onder controle heeft, maar dat blijkt niet helemaal te kloppen.
Vertalingen
Verwante begrippen


Afrikaans

Werkwoord

het

  1. persoonsvorm van (hebben): heb, hebt, heeft, hebben


Middelnederlands

nominatief genitief datief accusatief
vol clit. vol clit. vol clit. vol clit.
enk 1e ic mijns mi mi
2e du -tu dijns di di
3e m hi -i sijns -es
-s
hem -em
-en
hem -en
-ene
-ne
f si -se haer -ere
-re
-er
haer -ere
-re
-er
haer -se
n het t-
-et
-t
- -es
-s
hem het -et
-t
mv 1e wi onser ons ons
2e ghi -i uwer u u
3e si -se haer -ere
-re
-er
hem
hen
-en hem
hen
-se

Persoonlijk voornaamwoord

het

  1. nominatief en accusatief o derde persoon enkelvoud: het