inlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van lopen met het voorvoegsel in-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inlopen
liep in
ingelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

inlopen

  1. (ergatief) een ruimte betreden
    Zij waren de verkeerde kamer ingelopen.
  2. (ergatief) een afstand goedmaken
    Ze waren bijna een volle ronde ingelopen op de koploper.